Het KB dat de uitvoering van homeopathie regelt, verscheen in het BS van 12 mei 2014. Het regelt de registratie (en erkenning) van zorgverleners die homeopathie bedrijven, en legt de grenzen vast van de beoefening van homeopathie.

Therapeutische vrijheid
Homeopathie wordt voorbehouden terrein voor artsen, tandartsen en vroedvrouwen. Ze moeten dan wel eerst een universitaire opleiding hebben gevolgd. Als overgangsmaatregel mag homeopathie onder bepaalde voorwaarden ook beoefend worden door beoefenaars van andere zorgberoepen - op voorwaarde dat ze een erkende opleiding hebben gevolgd.

Zorgverleners mogen steeds maar homeopathie bedrijven binnen de perken van hun bevoegdheden volgens KB78.
De artsen-homeopaten die beroep aantekenen tegen dit KB voeren onder meer aan dat de voorwaarden en de vereisten die het KB oplegt voor het uitvoeren van homeopathie, een beperking inhoudt van hun therapeutische vrijheid.

De Raad van State stelt vast dat de beperkingen een gevolg zijn van de registratieplicht voor niet-conventionele praktijken. Maar die registratieplicht vloeit voort uit de wet van 29 april 1999, niet uit het KB met de uitvoeringsbesluiten. De artsen-homeopaten hebben dus hun pijlen verkeerd gericht.

Discriminatie artsen?
De Bvas heeft ook een aantal vragen bij de tekst van het betrokken KB. Het klaagt aan dat het KB artsen-homeopaten verplicht zich te houden aan de medische deontologie en aan EBM-indicaties voor homeopathie, terwijl het aan andere zorgberoepen die verplichting niet zou opleggen.
Het heeft kritiek op de overgangsmaatregel voor zorgverleners die geen arts, tandarts of vroedvrouw zijn, maar wel gedurende een periode van vijf jaar nog een erkenning voor homeopathie kunnen vragen. Het gaat om personen die een zorgberoep op bachelorniveau beoefenen en op het moment dat het KB van kracht werd een opleiding homeopathie hebben beëindigd of hebben aangevangen. De Bvas vindt het daarnaast niet correct dat de Kamer voor homeopathie het certificaat voor de opleiding moet afleveren.

De Raad van State verwerpt deze bezwaren. Ze vindt bijvoorbeeld dat EMB-vereisten ook voor de andere zorgberoepen kunnen gelden - dat de advocaten van Bvas onvoldoende hebben aangetoond dat dit niet zo zou zijn. De periode van vijf jaar is nergens in strijd met de wet en dat de Kamer het certificaat moet afleveren, berokkent geen nadeel aan de artsen.

Met de verwijzing naar de medische deontologie en naar de verplichting om met EBM-indicaties te werken heeft de Raad van State ook geen problemen. Deze deontologische verplichtingen gelden voor alle artsen, of dit nu in een wet staat of niet.

Het KB dat de uitvoering van homeopathie regelt, verscheen in het BS van 12 mei 2014. Het regelt de registratie (en erkenning) van zorgverleners die homeopathie bedrijven, en legt de grenzen vast van de beoefening van homeopathie.Therapeutische vrijheid Homeopathie wordt voorbehouden terrein voor artsen, tandartsen en vroedvrouwen. Ze moeten dan wel eerst een universitaire opleiding hebben gevolgd. Als overgangsmaatregel mag homeopathie onder bepaalde voorwaarden ook beoefend worden door beoefenaars van andere zorgberoepen - op voorwaarde dat ze een erkende opleiding hebben gevolgd. Zorgverleners mogen steeds maar homeopathie bedrijven binnen de perken van hun bevoegdheden volgens KB78. De artsen-homeopaten die beroep aantekenen tegen dit KB voeren onder meer aan dat de voorwaarden en de vereisten die het KB oplegt voor het uitvoeren van homeopathie, een beperking inhoudt van hun therapeutische vrijheid. De Raad van State stelt vast dat de beperkingen een gevolg zijn van de registratieplicht voor niet-conventionele praktijken. Maar die registratieplicht vloeit voort uit de wet van 29 april 1999, niet uit het KB met de uitvoeringsbesluiten. De artsen-homeopaten hebben dus hun pijlen verkeerd gericht.Discriminatie artsen? De Bvas heeft ook een aantal vragen bij de tekst van het betrokken KB. Het klaagt aan dat het KB artsen-homeopaten verplicht zich te houden aan de medische deontologie en aan EBM-indicaties voor homeopathie, terwijl het aan andere zorgberoepen die verplichting niet zou opleggen. Het heeft kritiek op de overgangsmaatregel voor zorgverleners die geen arts, tandarts of vroedvrouw zijn, maar wel gedurende een periode van vijf jaar nog een erkenning voor homeopathie kunnen vragen. Het gaat om personen die een zorgberoep op bachelorniveau beoefenen en op het moment dat het KB van kracht werd een opleiding homeopathie hebben beëindigd of hebben aangevangen. De Bvas vindt het daarnaast niet correct dat de Kamer voor homeopathie het certificaat voor de opleiding moet afleveren. De Raad van State verwerpt deze bezwaren. Ze vindt bijvoorbeeld dat EMB-vereisten ook voor de andere zorgberoepen kunnen gelden - dat de advocaten van Bvas onvoldoende hebben aangetoond dat dit niet zo zou zijn. De periode van vijf jaar is nergens in strijd met de wet en dat de Kamer het certificaat moet afleveren, berokkent geen nadeel aan de artsen. Met de verwijzing naar de medische deontologie en naar de verplichting om met EBM-indicaties te werken heeft de Raad van State ook geen problemen. Deze deontologische verplichtingen gelden voor alle artsen, of dit nu in een wet staat of niet.