In de geprinte editie van vorige week brachten we een eerste reeks resultaten van onze enquête over ziekenhuisbeleid en -financiering georganiseerd door Healthcare Magazine en Artsenkrant. Onder meer bleek daaruit dat huisartsen, ziekenhuisspecialisten en -directies principieel achter het idee staan om drie financieringsclusters in te voeren naargelang zorg 'laag', 'medium' of 'hoogvariabel' is.

In het verlengde hiervan is er echter minder eensgezindheid over de stelling dat de regels vereenvoudigen door in deze clusters stelselmatig andere financieringsstromen te integreren -bijvoorbeeld voor geneesmiddelen. Een groot deel van de artsen -zowel huisartsen als specialisten- spreekt zich hier niet over uit. Ongeveer twee op vijf artsen gaat akkoord. Bij de directiecomités en leden van de raden van bestuur zijn er meer aanhangers terwijl ook 16 van de 24 ziekenhuisdirecteurs (66,7%) er achter staan.

Unanimiteit bestaat er onder de leidinggevenden in de ziekenhuizen dat het stroomlijnen van de federaal en regionaal gevraagde registraties onnodige registratie vermijdt. Het zou de administratieve last ook verminderen. De artsen gaan hiermee akkoord maar minder uitgesproken -75% tot 80% is pro.

Communautaire verschillen

Uit deze enquête komen weinig communautaire verschillen naar voren. Een uitzondering op die regel vormt het voorstel van De Block om pathologiegroepen te concentreren. Drie kwart van de Nederlandstaligen is hiervoor gewonnen, bij de Franstaligen is dat niet eens de helft (49,9%). Vooral huisartsen (72,1%) en mensen met een ziekenhuisfunctie (72,7%) zijn pro concentratie, ziekenhuisartsen zijn hierin minder uitgesproken (65%).

Minister De Block wil ook dat ziekenhuizen bottom-up taakafspraken maken en gevarieerde netwerken ontwikkelen. Dure technologie wordt dan niet langer aan ziekenhuizen maar aan netwerken toegewezen. Het gezondheidslandschap telt basis-, referentie- en universitaire ziekenhuizen. Dergelijke hervorming kan vooral in Vlaanderen op bijval rekenen. Bijna negen Nederlandstaligen op tien (88,3%) is pro tegenover slechts 64,5% van de Franstaligen. Het enthousiasme is vooral groot bij huisartsen (85%) en mensen met een ziekenhuisfunctie (90,9%).

Een veralgemeende invoering van het systeem van referentiebedragen voor honoraria zou aanzetten tot een zorgvuldiger en billijker gebruik van middelen, stelt De Block. Het voorstel wordt gemengd onthaald. Globaal staat 54% van de respondenten hier achter. En hoewel in het verleden vooral Franstalige ziekenhuizen in dit systeem geld moesten terugbetalen aan het Riziv noteren we geen communautaire verschillen. Bijna een derde van de respondenten is tegen en meer dan één op tien (11,6%) heeft geen mening. Vooral leidinggevenden in de ziekenhuizen (78,2%) en huisartsen (64,2%) zien dit systeem zitten. Bij de ziekenhuisartsen is slechts 47,8% voor referentiebedragen. Nog lager is de aanhang bij leden (44,2%) en voorzitters (35,3%) van de medische raad. Vooral ziekenhuisdirecteurs -16 op 24- en raden van bestuur (63,9%) zijn voorstander van referentiebedragen.
65,3% van de Nederlands- en 73,8% van de Franstaligen is van oordeel dat een ziekenhuisdirecteur netto niet meer mag verdienen dan de eerste minister. Vooral leidinggevenden (47,3%) zijn het hiermee minder eens. Slechts 41,7% van de respondenten meent dat dit principe ook voor ziekenhuisartsen moet gelden.

En verder...

86% van de respondenten vindt dat een correct honorarium voor deelname aan wacht- en permanentiefuncties kan bijdragen tot een betere integratie van de artsen in het ziekenhuis. Alle voorzitters van de medische raad en alle hoofdartsen staan hier achter. 95,4% is gewonnen voor het idee om in de toekomst academische opdrachten, innovatie en andere specifieke opdrachten zoals de spoedgevallen transparant te financieren. 38,5% kant zich tegen het idee om in ziekenhuizen een all-in financiering in te voeren die het Budget Financiële Middelen, honoraria, geneesmiddelenbudget,... bundelt. 15,7% heeft hierover geen mening of antwoordde niet. Vooral ziekenhuisartsen zien een all-in financiering niet zitten. Huisartsen (56,8%) en leidinggevenden (70,8%) zijn eerder pro.

In de geprinte editie van vorige week brachten we een eerste reeks resultaten van onze enquête over ziekenhuisbeleid en -financiering georganiseerd door Healthcare Magazine en Artsenkrant. Onder meer bleek daaruit dat huisartsen, ziekenhuisspecialisten en -directies principieel achter het idee staan om drie financieringsclusters in te voeren naargelang zorg 'laag', 'medium' of 'hoogvariabel' is. In het verlengde hiervan is er echter minder eensgezindheid over de stelling dat de regels vereenvoudigen door in deze clusters stelselmatig andere financieringsstromen te integreren -bijvoorbeeld voor geneesmiddelen. Een groot deel van de artsen -zowel huisartsen als specialisten- spreekt zich hier niet over uit. Ongeveer twee op vijf artsen gaat akkoord. Bij de directiecomités en leden van de raden van bestuur zijn er meer aanhangers terwijl ook 16 van de 24 ziekenhuisdirecteurs (66,7%) er achter staan. Unanimiteit bestaat er onder de leidinggevenden in de ziekenhuizen dat het stroomlijnen van de federaal en regionaal gevraagde registraties onnodige registratie vermijdt. Het zou de administratieve last ook verminderen. De artsen gaan hiermee akkoord maar minder uitgesproken -75% tot 80% is pro. Communautaire verschillen Uit deze enquête komen weinig communautaire verschillen naar voren. Een uitzondering op die regel vormt het voorstel van De Block om pathologiegroepen te concentreren. Drie kwart van de Nederlandstaligen is hiervoor gewonnen, bij de Franstaligen is dat niet eens de helft (49,9%). Vooral huisartsen (72,1%) en mensen met een ziekenhuisfunctie (72,7%) zijn pro concentratie, ziekenhuisartsen zijn hierin minder uitgesproken (65%). Minister De Block wil ook dat ziekenhuizen bottom-up taakafspraken maken en gevarieerde netwerken ontwikkelen. Dure technologie wordt dan niet langer aan ziekenhuizen maar aan netwerken toegewezen. Het gezondheidslandschap telt basis-, referentie- en universitaire ziekenhuizen. Dergelijke hervorming kan vooral in Vlaanderen op bijval rekenen. Bijna negen Nederlandstaligen op tien (88,3%) is pro tegenover slechts 64,5% van de Franstaligen. Het enthousiasme is vooral groot bij huisartsen (85%) en mensen met een ziekenhuisfunctie (90,9%). Een veralgemeende invoering van het systeem van referentiebedragen voor honoraria zou aanzetten tot een zorgvuldiger en billijker gebruik van middelen, stelt De Block. Het voorstel wordt gemengd onthaald. Globaal staat 54% van de respondenten hier achter. En hoewel in het verleden vooral Franstalige ziekenhuizen in dit systeem geld moesten terugbetalen aan het Riziv noteren we geen communautaire verschillen. Bijna een derde van de respondenten is tegen en meer dan één op tien (11,6%) heeft geen mening. Vooral leidinggevenden in de ziekenhuizen (78,2%) en huisartsen (64,2%) zien dit systeem zitten. Bij de ziekenhuisartsen is slechts 47,8% voor referentiebedragen. Nog lager is de aanhang bij leden (44,2%) en voorzitters (35,3%) van de medische raad. Vooral ziekenhuisdirecteurs -16 op 24- en raden van bestuur (63,9%) zijn voorstander van referentiebedragen. 65,3% van de Nederlands- en 73,8% van de Franstaligen is van oordeel dat een ziekenhuisdirecteur netto niet meer mag verdienen dan de eerste minister. Vooral leidinggevenden (47,3%) zijn het hiermee minder eens. Slechts 41,7% van de respondenten meent dat dit principe ook voor ziekenhuisartsen moet gelden. En verder... 86% van de respondenten vindt dat een correct honorarium voor deelname aan wacht- en permanentiefuncties kan bijdragen tot een betere integratie van de artsen in het ziekenhuis. Alle voorzitters van de medische raad en alle hoofdartsen staan hier achter. 95,4% is gewonnen voor het idee om in de toekomst academische opdrachten, innovatie en andere specifieke opdrachten zoals de spoedgevallen transparant te financieren. 38,5% kant zich tegen het idee om in ziekenhuizen een all-in financiering in te voeren die het Budget Financiële Middelen, honoraria, geneesmiddelenbudget,... bundelt. 15,7% heeft hierover geen mening of antwoordde niet. Vooral ziekenhuisartsen zien een all-in financiering niet zitten. Huisartsen (56,8%) en leidinggevenden (70,8%) zijn eerder pro.